

Met een eend door de Provence, dat is pure nostalgie. Ariejan Korteweg kachelt langs dorpen en stadjes waarover je onmogelijk iets lelijks kunt zeggen.
De climax wordt bereikt op de weg tussen Rognes en Eguilles, als de bijrijder van een passerende auto van pure opwinding uit het raam hangt, twee duimen opsteekt en ‘bravo’ jubelt. Een eend maakt wat los bij de mensen, en een eend met een Nederlands nummerbord nog meer. Je ziet de Fransen denken; al die Bataven die in een 2CV vanuit het hoge noorden naar de Provence afzakken – wat een files zal dat veroorzaken op de snelwegen.
Medeweggebruikers reageren meewarig, bewonderend, verbaasd, begripvol, nieuwsgierig. Hier is geen concurrentie in het spel.
Vanuit een eend valt op hoe al die andere auto’s op elkaar lijken. Kennelijk schept dat een band. De enkele 2CV-chauffeur wiens wegen je kruist, steekt de hand op. Tenzij het om een heer met alpinopet gaat, voor wie een eend nog louter vervoermiddel is. Alle anderen maken met hun eend een statement. De eendchauffeur hanteert andere criteria dan een maximum aan snelheid, veiligheid en comfort – dat is het minste wat je erover kunt zeggen. Hij zit willens en wetens in een teletijdmachine, die hem terugvoert naar ratelende telexmachines, de opkomst van de fax, de laatste zwartwit-tv’s, bandplooibroeken, lang haar dat steeds korter werd, New Order, Frans Kellendonk en Ruud Lubbers.
Dat alles maakt de 2CV uitermate geschikt voor de Provence, het beloofde land voor gelukszoekers en zelfbevrijders. Hier, tussen de lavendelvelden, onder de ongenadige zon die de kleuren zo helder maakt, kun je ontdekken wie je werkelijk bent, al ligfietsend, pottenbakkend, tuinierend, mediterend.
Of toerend in een eendje dus. Wat zeker niet minder hard werken is: aan stuur- of rembekrachtiging hebben de ontwerpers niet gedaan. Bijgedachten verdwijnen; inhalen, muziek luisteren, schakelen naar vijfde of zesde versnelling – het behoort allemaal tot de onmogelijkheden. Wat er gebeurt als een onverlaat zich in je flank zou boren – het is beter daar niet aan te denken. Het afsluiten van deuren en kofferruimte wordt afgeraden; wie kwaad wil, komt toch wel binnen, maar maakt dan wel schade.
De rondreis die de firma heeft uitgezet, biedt alle ruimte om niet alleen jezelf maar ook de Provence beter te leren kennen. De hoofdlijnen blijken verrasend simpel: enerzijds is er de zwaar aangeblazen Provence, van Fontaine-de-Vaucluse, Lourmarin, Bonnieux, Roussillon. Je kunt er onmogelijk iets lelijks over zeggen. Het lastige is dat de hele wereld er hetzelfde over denkt; niets zo ‘pittoresk’ als de okergele muren van Roussillon, niets zo dramatisch als het adelaarsnest Gordes.
De wereldwijde bewondering heeft die stadjes bedolven onder een lawine van geurzeepjes, smeedijzeren potplanthangers, hoofddoekjes, strooien hoeden, zonnebloembakjes, droogboeketten, zelfgesponnen tafelkleden, lavendelhoning, siereendjes en krekelpotjes. Daar doorheen rijden in een lavendelkleurige eend met open dak uit 1986, dat kan net een beetje te veel worden.
Het anti-serum is in de Provence nooit ver weg. Zo ligt niet ver van Gordes, in een vallei waar van menselijke bemoeienis weinig is te bespeuren, de abdij van Senanque, in de 12de eeuw gebouwd door de cisterciënzers, die niets moesten hebben van de pracht en praal van de grote kloosters als Cluny.
Vanaf mei worden de strenge contouren van de kerk verzacht door bloeiende lavendel. Een oudere heer kijkt zo gefascineerd naar het gebouw dat hij pardoes in een diepe plas stapt, de enige in de wijde omtrek. ‘Ze hadden die kloosters niet zo mooi moeten maken’ lacht hij.
Ook Lacoste, het bergdorpje waar Markies De Sade gevangen zat, is tamelijk ongeschonden. Door het dorpje slingert een nergens gemarkeerd klinkerpad omhoog, tot het plateau waar een beeld van de getraliede libertijn staat. Daar is ook te zien dat het kasteel, nu in handen van modekoning Pierre Cardin, wel degelijk wordt bewoond. De ruïne is als een cocon die de nieuwe bebouwing aan het oog onttrekt. Wie het van binnen wil zien, moet vrienden worden met de couturier.
Zo kun je tegenover de gretig bewonderde Provençaalse stadjes een andere, minder druk bezochte reeks zetten. Daar hoort Cucuron in, met de bomen die zich als beelden spiegelen in het water van de vijver in het dorpshart. Of Fourcalquier, waar de citadel één van de mooiste uitzichten van de streek biedt. Niet ver daarvandaan is Reillanne, een dorp met een nonchalance die je eerder in het Wilde Westen zou verwachten.
Eend mag dan al 23 zijn, hij heeft zich niet buitensporig hoeven in te spannen; op de teller staat 84 duizend kilometer. Dat hij bij kuilen een gilletje slaakt en tandenknarst als je de pook te ver naar links duwt, is na een dag of vier geen verrassing meer. Eén keer doet hij iets onverwachts. Bij het wegrijden van abdij Silvacane onder Cadenet klinkt een harde, droge knal. Noodstop, schopje tegen banden en uitlaat, eend flink laten schommelen. Dan valt het kwartje: die knal, dat was het kantelraampje dat niet goed vastzat en terugklapte.
Op de binnenplaats van de chambre d’hotes in Jas de Nevières is het inmiddels gezellig. De buren zijn aangeschoven, er wordt een gentiaanbrouwsel geschonken en de verhalen komen los. Over Hollanders die hier even verderop tulpenvelden hebben. Wie ze wil zien moet snel zijn, want ze snijden na een paar dagen de toppen eraf.
Later zingt het gezelschap de lof van de Provence. Kijk eens naar die sterrenhemel, helderder zie je ze niet. ‘Maar daar bij u moet het ook niet slecht zijn’ zegt de buurman. ‘Een jongen hier uit de buurt is onlangs die kant op vertrokken, naar Schotland’. De gastvrouw komt tussenbeide: ‘Laat hem maar, voor ons is alles boven Valence noordelijk en koud’.
De volgende ochtend zwaait buurman ons na. ‘De 2CV is de koningin onder de voertuigen’, verzekert hij. ‘Sommigen zeggen dat dat de DS is, maar voor mij is dat de 2CV. Een 2CV komt overal’.
Doen & laten
Eten
Twee technici die onderhoudswerk verrichten op de basis van het vreemdelingenlegioen in de buurt van Sault, vatten het bondig samen: ‘We komen elke paar weken in de Provence’, zeggen ze. ‘Het is prachtig, maar eten wil nog wel eens lastig zijn. In de winter zijn veel restaurants dicht, in de zomer is er geen tafel te krijgen’. Hun tip: La Table du Bonheur, in de buurt van Sault. Gedreven door een afgezwaaide sterrenkok, die graag kookt voor klein gezelschap.
Prima eten kun je op honderden adressen in de Provence, zoals bij L’Ozio in Cavaillon, waar Franse en Japanse keuken op vertrouwde voet staan. En bij La Pastorale in C’ereste, gedreven door Maarten, de broer van eendverhuurder Mark Hukema, die anders dan de gemiddelde Franse kok ook rekening houdt met vegetariërs. Bij La Salle à Manger in Aix-en-Provence was de pianist creatiever dan de kok.
Tochtjes
Aix-en-Provence heeft lang zijn schilderszoon Paul Cézanne amper zien staan. Tegenwoordig is zijn geest vaardig over de stad. Mooiste uitstapje gaat naar Bibemus, een verlaten steengroeve waar de grond okerkleurig is en hij inspiratie opdeed voor doeken die de opmaat zouden vormen voor het kubisme. Ook het atelier van Cézanne, in een noordelijke buitenwijk, is te bezoeken. Wie nooit de okerwandeling deed, moet zeker in alle vroegte naar Roussillon. Tijdens de korte tocht waan je je op een rode planeet met weelderige vegetatie en grillige rotsen.
Bron: Volkskrant 2 mei 2009.
Mag de Deux-Chevaux het centrum van Amsterdam niet meer in? Dan toeren we toch gewoon daar waar de eend zich thuis voelt: in de Provence.
Ceci etait ma première voiture (dit was mijn eerste auto).” De ogen van de receptioniste glinsteren. We staan op het punt te vertrekken voor een testrit met de Citroën Deux-Chevaux 6 spécial, ook wel Lelijke Eend geheten. Maar lelijk is ons eendje, in grijze Charlestonuitvoering, niet. De auto zal drie dagen onze steun en toeverlaat zijn op de D-wegen van Frankrijk. Volgens onze gastheer Huureeneend.nl kunnen we, ondanks haar ‘constante roep om plastische ingrepen’, volledig vertrouwen op deze vieille dame.
De banden en vering kreunen terwijl die oude dame opgang komt. De receptioniste en eigenares van hotel Mas Soleil in Salon de Provence kijken geamuseerd toe hoe wij de weg oprijden.
De Provence in Zuid-Frankrijk, bekend om zijn velden lavendel en hete zomers, is in het voorjaar een verademing. Alles behalve de lavendel staat in bloei. Hoog gras wuift golvend langs de weg en de berm is doorspikkeld van rode klaprozen en paardebloemen. Het groen van de bomen werpt een verkoelende schaduw op het asfalt. Want ook al bereikt in mei het kwik niet de hoge temperaturen van juli en augustus, toch beukt de zon al fel op het glimmende blik van de auto. De enorme bladeren van de platanen en de dichtbegroeide cipressen zijn een welkome afwisseling in de heiachtige omgeving, waar het hoogste bosje nog steeds het zicht op de omgeving niet ontneemt. De route die voor ons is uitgestippeld, leidt door het binnenland van dit deel van Frankrijk. Gezien het recreatieve karakter van de auto heeft Huureeneend.nl ‘eendwaardige’ wegen uitgezocht. Zoals eenbaanswegen van asfalt met grind, vaak zonder middenstreep, die door de natuur slingeren alsof het bereiken van de uiteindelijke bestemming er niet toe doet. Bovendien wordt iedere snelheidsduivel afgestraft: het gemiddelde tempo komt niet boven de dertig kilometer per uur uit.
Eenmaal op weg is de bestemming inderdaad eigenlijk al bereikt. Het rijden in een eend door de uitgestrekte velden jonge maïs, kneuterige dorpjes en groene bergen is het doel op zich van deze reis. En dus tuffen we vrolijk met 25 kilometer per uur de Route de Cézanne op.
De postimpressionist Cézanne woonde in Aix en Provence, vanwaar een landweg loopt door het Sainte Victoiregebergte. Deze omgeving komt terug in het werk van de kunstenaar. Zo schilderde hij de grijstinten van de monte Victoire zo’n zestig keer. Naarmate de favoriete berg van de schilder op ons traject nadert, volgen de scherpe bochten elkaar sneller op. Ook het hellingspercentage lijkt met elke bocht te stijgen. Dan blijkt het voordeel van de 2cv6, die een iets sterkere motor heeft dan de oude 2cv van voor de jaren tachtig. We hebben niet eens door dat het aantal toeren laag ligt, de motor ronkt luid en we beklimmen de berg langzaam maar gestaag. Dat neemt niet weg dat de eerste haarspeldbocht ons overvalt. Met auto en al hellen we over naar één kant, de bestuurder trekkend aan het grote wiel terwijl de bijrijder in de veiligheidsgordels hangt als ware het junglelianen. Maar de eend doet haar naam eer aan. Stevig op haar smalle banden die iets naar binnen wijken, draait ze waggelend door de bochten omhoog. Trots dopen we haar om tot Taaie Tante.
De dorpjes langs de route wordt bewoond door een handvol Fransen voor wie de lunch nog heilig is. De kronkelstraatjes tussen de huizen in pasteltinten zijn rond dit uur dan ook uitgestorven. Geen stokbrood te vinden, maar wel parkeerplaatsen. En koffie kun je altijd wel ergens krijgen. In Quinson hijst de uitbater van
het enige café zichzelf loom overeind en sloft naar de machine. Niemand heeft haast, hier begint het goede leven. En hoe hoger, hoe beter.
Zo is in het op 635 meter hoog gelegen Tourtour het uitzicht vanaf de restaurantterrassen eindeloos. Goed zoeken kan een tafeltje voor twee opleveren waarbij de eters zich de enige op de wereld kunnen wanen, als was het decor waarin berg op berg volgt, speciaal voor hen opgetrokken.
Een ander populaire plaats in deze streek is Greoux Les Bains. Hier heerst het Zwitserlevengevoel. Ruisende bomen, heldere zwembaden en pittoreske huizen met paarsblauwe luiken voeren de boventoon. De honing, lavendel en folkloristische kleedjes zijn op de wekelijkse marktper dozijn verkrijgbaar. Fransen met een dure verzekering komen hier jaarlijks om de geneeskrachtige baden te bezoeken en de schone lucht in te ademen.
Adembenemend is de route naar het kuuroord. Om elke hoek van de berg wacht een nieuw uitzicht op de rotsachtige omgeving rond de Gorges du Verdon. Het idyllische karakter wordt echter bruut onderbroken door de vele zwartgeblakerde boomstammen. De genadeloos droge zomers laten hier hun sporen achter. Ondanks de verbodsborden met plaatjes van lucifers en de tekst ‘voorzichtig met vuur!’ branden jaarlijks hele bossen af in de Provence. Het gevolg: een desolate vlakte, die een schril contrast vormt met het toerisme in de omgeving. De meren waarlangs campings liggen en waarin gezwommen wordt, zijn dezelfde waaruit blusvliegtuigjes putten om het vuur te doven. Bij Esparron de Verdon is echter niets meer te merken van de natuurramp en onder een dak van groene bladeren rijden we het middeleeuwse dorp binnen.
Heet is het soms wel tijdens onze roadtrip. Enthousiast gooien we het dak van de eend open, met een gevoel van enorme luxe. Maar we besluiten algauw het canvasdoek weer terug te rollen en volgens de nauwkeurige aanwijzingen van het autoboek vast te klikken: de zon die eerst alleen het dak opwarmde, brandt nu namelijk met volle kracht op onze schouders. Luxe is ook niet alles, concluderen wij, en we beperken het cabriogevoel tot de raampjes, die je opent door ze met een klap vast te klemmen in een kliksysteem aan de buitenkant van de auto.
Statusgevoelig moet je sowieso niet zijn voor een trip in de Deux-Chevaux, merkt mijn reisgenoot onderweg op. Vanuit iedere suv die op het pad van de 2cv komt, kijken de inzittenden verschrikt naar buiten, alsof ons voertuig zo van Mars komt. De auto krijgt nog weinig erkenning als oldtimer in Frankrijk, vertelt Mark Hukema van Huureeneend.nl: “Alleen in Parijs en andere grote steden begint men de eend als een klassieker te beschouwen. De rest ziet het nog steeds als boerenwagen.”
Het zijn onderweg dan ook de gerimpelde gezichten van wegwerkers en oude vrouwtjes waarop een weemoedige glimlach verschijnt zodra ze de eend in het vizier krijgen; ze turen nieuwsgierig door de raampjes om te zien wie daar toch nog in rijdt.
Voordeel is wel dat ons oudje, omdat het geen enkele stuur- of rembekrachtiging kent, meer kan maken dan de gemiddelde gezinswagen. Een bestuurder van een eend hoeft niet bang te zijn voor getoeter of gefoeter wanneer hij met zijn gestuntel het doorgaande verkeer ophoudt. Als we bij een langdurige inparkeersessie verontschuldigend de handen in de lucht gooien, kijkt de vrouw achter het stuur van een Chrysler ons met grote ogen aan. Ze wuift onze excuses weg en roept: “Mais non, c'est une Deux-Chevaux!”
Gek op de 2cv
‘Huur een eend’ is een initiatief van Rien Tilstra en Mark Hukema, twee jonge jongens met een zwak voor 2cv's. Twee jaar terug verhuurden zij hun eerste eendjes in Nederland. De klassieke Citroëns worden
door henzelf opgeknapt en onderhouden. Sinds dit jaar verhuren ze de auto's ook in de Provence, met bijpassende, nostalgische routes en reserveringen voor slaapplaatsen.
Bron: Het Parool, 7 juni 2008
Met dank aan www.huureeneend.nl
en Zuid-Europa Reizen

